| Bericht: | Uit: Hij komt van Hoorn (uitgegeven in 2012).
In 1660 kwamen Hoorn, Edam, Monnickendam en Amsterdam overeen een 56 kilometer lange trekvaart te graven, kosten f 794.000,-, een megaproject. De vaart valt in het landschap nog goed te herkennen. Wie met de auto de N247 neemt richting Oosthuizen, Edam en Monnickendam volgt precies het oude trekvaarttrace.
In 1661 werd de trekvaart in gebruik genomen. De stadsbesturen hoopten de investering teug te verdienen dankzij tollen langs de vaarten en jaagpaden. Die tollen hebben lang bestaan. In 1799 bijvoorbeeld werd Hermse Joosten, tolman aan de Oudendijk, door het Hoornse stadsbestuur gelast geen tol te heffen op wagens met ammunitie en bagage voor het leger dat ten strijde trok tegen de Engelsen. De tol van Oudendijk was van Hoorn, bij Oudendijk stuitte de trekvaart namelijk op de omringdijk en moesten de reizigers overstappen, in een volgende schuit. Dat kostte de man ter plaatse extra werk, vandaar de tol.
De trekvaart Hoorn-Amsterdam hield nauw verband met de toegenomen betekenis van Amsterdam als handelsmetropool. De trekschuit was voor die tijd het snelste openbare vervoermiddel van Europa. Langs kaarsrechte vaarten ging het, met constante snelheid, dus keurig op tijd. De stoomtrein zou de trekschuit voorgoed overbodig maken.
Omdat de tarieven voor velen betaalbaar waren, werd aanvankelijk goed gebruik van de trekschuit gemaakt: tussen 1660 en 1670 door 54.000 personen en tussen 1700 en 1710 nog door 36.000.
Maar al tussen 1740 en 1750 viel het aantal terug tot 15.000, wat ook samen hing met de bevolkingsdaling in Westfriesland.
Met de trekschuit van Amsterdam naar Hoorn.
De reis begon bij de Nieuwe Stadsherberg in Amsterdam, gelegen aan het IJ, ongeveer waar nu perron 15 van het Centraal Station is. Met de steigerschuit ging het over het IJ naar de zuidelijkste punt van de Volewijk, naar het Tolhuis aldaar, ongeveer de huidige oversteek met de tolhuispunt. Vandaar liep een korte trekvaart tot de Waterland Dijk. Daar stapte men uit, liep door het dorp Buiksloot en betrad het Vijfstedenmeer. De eerste etappe was naar het Schouw, waar de route zich splitste: pal noordwaarts ging het naar Purmerend, meer noordoostelijk naar Monnickendam. Bij het Schouw was een tolhek, de tol zat bij het kaartje inbegrepen.
In Purmerend liep de vaart dood bij de Amsterdamse Poort. Wie naar Hoorn wilde, moest naar de Beemsterpoort lopen, tot aan de Vloyenburg, waar weer aan boord werd gegaan. Vervolgens ging het langs de Beemster Ringvaart naar Oosthuizen, Beets en Oudendijk. In Oudendijk moesten en passagiers de Omringdijk over, dus opnieuw overstappen. Er stonden daar twee tolhekken, die de stad Hoorn, de eigenaar, had verpacht. Van Oudendijk ging het over De Hulk naar de Westerpoort, de herberg het Onvolmaakte Schip aan het Breed. In 1661 kreeg de Westerpoort speciaal een uurwerk voor de precieze reistijd. In de roef van de trekschuit hing trouwens een 'uurglas', een zandloper en langs de trekvaart stonden 'nummerpalen' om de honderd roeden; een roede was ongeveer 3,6 meter. Zo konden de reizigers uitrekenen hoe ver het nog was. De reis Buiksloot-Purmerend duurde 1 uur en 3 kwartier, Purmerend-Hoorn 2 uur en 3 kwartier. Klopte alles dan was men in 4,5 uur te Hoorn. |